"Indien gij dan met Christus opgewekt zift, zo zoekt de dingen die boven  zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. " Colossenzen 3 : 1.

Een adjudant vroeg Napoleon: "Sire, heeft u ook de zonsverduis­tering gezien?" De keizer antwoordde: "Ik heb het veel te druk met de dingen van de aarde, dan dat ik me met de hemel zou kun­nen bemoeien." Dit antwoord mag ons wat cru in de oren klinken, toch zullen we moeten toegeven, dat dit de levensinstelling is van de mens van nature. Hij maakt zich druk om alles en nog wat en de eeuwige dingen interesseren hem in het allerminst...

Van de kant van de mens is nooit ook maar enige toenadering te verwachten tot God. Maar Christus is opgestaan en door Zijn opstandingskracht worden dode zondaren opgewekt tot een nieuw leven. De zondaar leert het inleven, dat hij midden in de dood ligt. Hij leert vragen om levensvernieuwing.

Goed beschouwd vraagt hij om iets wat hij al heeft. Hij kan het voor zichzelf niet bekijken. En leven vraagt om leven. Zoals de zonnebloem zich keert naar de zon, zo gaat de levendgemaakte zondaar uit naar God, die leeft en aan zijn ziel het leven geeft. Al onze aardse idealen verbleken, vergeleken hij dit grootste ide­aal: het eigendom des Heeren te mogen zijn. Dan gaan we onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen. Bij voortgaande ontdekking komt hij er achter, dat hij van dat doden van de oude natuur niets terechtbrengt. Hij kan geen gerechtig­heid aanbrengen, die voor God bestaan kan. Hij moet zijn eigen werk afkeuren en de aangebrachte gerechtigheid van Christus le­ren nodig krijgen. Alleen roet die gerechtigheid kan hij voor God bestaan. Alleen zo kan hij tot Christus komen, als een arme zon­daar, die niet anders overhoudt dan zonde en schuld. Daartoe wekt de apostel Paulus de gelovigen in Colosse op. "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt." Dat "indien" moeten we niet opvatten als een misschien, maar als een werkelijkheid. We moe­ten "indien" verstaan in de zin van "daar". "Daar gij dan met Christus opgewekt zijt". "Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking." Rom. 5 : 25. Van Gods kant bezien heeft de wedergeborene alles. Is hij in Christus gerechtvaardigd. Van de kant van de mens bezien, weet hij dat niet. Christus moet in zijn hart geopenbaard worden. Moet gestalte in hem krijgen. En dat gaat in een weg van sterven aan zichzelf. Laten we het met een voorbeeld trachten te verduidelijken. Ge­steld er is een kind van twee jaar. Het heeft schatrijke ouders. Wanneer deze ouders sterven, is alles wat zij achterlaten voor dat kind. Dat kind van twee jaar heeft er echter nu nog geen weet van. Het weet niet hoe rijk het is. Pas als het komt tot onderscheid van jaren weet zij dit. Ook na ontvangen genade is de mens vaak bezig zelf te werken, in plaats van God in hem te laten werken. Leven uit een verbroken werkverbond. En we moeten van genade leren leven. De gemeente Colosse was een bloeiende gemeente. Het waren meren­deels christenen uit de heidenen. Paulus kent deze gemeente niet. Hij is er nooit geweest. Epafras, zijn getrouwe helper, heeft deze gemeente gesticht. Het is Paulus ter ore gekomen, dat er in de ge­meente dwaalleraren gekomen zijn. Zij drongen aan op heilig­making. En daar is natuurlijk niets op tegen. Zij leerden echter een heiligmaking, die zijn uitgangspunt had in de mens, en niet in Christus. De heilige Schrift leert immers, dat Christus niet alleen gegeven is tot rechtvaardigmaking, maar ook tot heiligmaking. De dwaalleraren wilden de weg op van de ascese. Van de onthou­ding. "Raak niet, smaak niet, roer niet aan." Een wettische heiligmaking. Zij wilden van de goede werken een ladder maken naar de hemel, en dat ligt ons mensen heel goed. Het is altijd een kenmerk van dwaalleraren, dat zij bij de mens in het gevlei ko­men, hetzij de goddeloze, hetzij de "vrome" mens. Op deze wijze sluit de mens zelf de toegang tot Christus, de Borg van zondaren, af. Het is in wezen een verloochening van de algenoegzame offerande van Christus. Vandaar dat Paulus een brief schrijft, waarin hij de gemeente op pastorale wijze komt te vermanen. "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.” Paulus wijst de gemeente op Christus, Die onze Gerechtigheid is. Er is geen rijker leven denkbaar. dan als een arme zondaar, zonder gerechtigheid in zichzelf, bekleed te worden met de gerechtigheid van Christus. Zo kunnen wij voor God bestaan. Wanneer satan ons dan wijst op onze zonden, dan kunnen we met Luther zeggen: "Satan, je bent op het verkeerde adres. Je moet niet bij mij zijn, maar bij Christus. Hij heeft mijn zonden op zich genomen." "De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem." Niets uit ons, maar al uit Hem, zo gaat het naar Jeruzalem! Sursum Corda! Kent u dat geheim'? Uw zaligheid buiten uzelf te zoeken'? Telkens opnieuw moet het geleerd worden te zoeken de dingen, die boven zijn. Er zelf buiten te vallen.

Als u daar niets van kent, dan is het verkeerd met u en dan gaat het straks helemaal verkeerd. De eeuwige dood tegemoet. Maar het is Pasen geweest. En de Levensvorst kan door Zijn opstandings­kracht u uit uw zondegraf doen opstaan. Gebruik daartoe de mid­delen en zie naar boven, waar Christus is, verwacht het van Hem.  Sursum Corda!

Wijlen ds. P.Beekhuis.